Roet in het eten gooien

Vroeger kookten mensen hun eten in grote pannen boven een open haardvuur. Als er dan plotseling een klodder zwart roet uit de schoorsteen in de pan viel, was de hele maaltijd verpest! Net zoals een regenbui je picknick kan verpesten.

Het neusje van de zalm

Echte fijnproevers vonden vroeger de kop van een zalm, en dan vooral het zachte vlees bij de neus, het allerlekkerste stukje. Wie dat kreeg, had geluk! Nu noemen we de allermooiste auto of het beste boek ook ‘het neusje van de zalm’.

Een appeltje voor de dorst

Tijdens een lange wandeling kregen reizigers vroeger vaak flinke dorst. Wie dan slim genoeg was geweest om een sappige appel in zijn tas te stoppen, had daar enorm veel profijt van! Tegenwoordig betekent dit dat je spaargeld achter de hand houdt.

Iets met een korreltje zout nemen

Een oud Romeins recept tegen vergiftiging vereiste ‘één korreltje zout’ om te werken. Later ging dit betekenen dat je onzinverhalen makkelijker kunt slikken als je er mentaal wat zout overheen strooit. Kortom: geloof niet direct elke roddel!

Met de gebakken peren zitten

Gebakken peren waren vroeger een luxe toetje. Maar als de visite niet kwam opdagen, zat de gastvrouw daar in haar eentje met een pan vol kleffe, afkoelende peren! Oftewel: jij blijft alleen achter met de ellende van een ander.

Je eigen boontjes doppen

Vroeger moesten kinderen vaak helpen met het pellen (doppen) van sperziebonen of doperwten in de keuken. Als je groot genoeg was, kon je dat helemaal zelf! Nu zeggen we dit als iemand volwassen is en zijn eigen problemen oplost.